Actueel

Een gezicht geven aan het debat over diversiteit

woensdag 23 juni 2010

Op 3 juni 2010 organiseerde Al Nisa i.s.m. VISOR en met steun van Kerk en Wereld in Amsterdam een debat over diversiteit, getiteld: Kopje Thee? Het debat was onderdeel van de campagne ECHT NEDERLANDS, waarmee Al Nisa op een ludieke manier aandacht wilde vragen voor diversiteit onder moslimvrouwen en voor enkele uitspraken en voorstellen van politici die moslimvrouwen stigmatiseren en uitsluiten. Het debat op 3 juni had als doel ideeën uit te wisselen over de manier waarop de Nederland als een samenleving van ons allemaal kunnen zien en beleven. Centrale vraag van de avond was dan ook: hoe samen verder na 9 juni?

Een gezicht geven aan ‘t debat
De avond werd geopend door voorzitter Laïla Abid. Zij heette de ruim zestig aanwezigen welkom en gaf de voorzitter van Al Nisa, Leyla Çakir, het eerste woord. Leyla Çakir sprak over het idee achter de posteractie en de vele positieve en hartverwarmende reacties. Zij noemde deze "een hoop voor de toekomst". Daarnaast had zij het expliciet over andersoortige reacties: er zullen ook moslima's zijn die zich niet kunnen vinden in de campagne én er waren geluiden te horen als ‘deze vrouwen bestaan niet'. Deze vrouwen bestaan echter wel degelijk, aldus Çakir, en kunnen je buurmeisje zijn. Het meest positieve aan de postercampagne noemde ze het feit dat er overal een gesprek op gang is gekomen, en dat er letterlijk een gezicht is gegeven aan 't debat waarin moslimvrouwen doorgaans afwezig zijn. Ze bedankte vervolgens alle panelleden voor hun komst en eindigde met de opmerking: "Vergeet niet: we blijven doorgaan, mét een lach".

Beperkingen in verkiezingsprogramma's, beleid en onderzoek
Thijl Sunier, hoogleraar Islam in Europa aan de VU, hield een lezing waarin hij betoogde dat er in verkiezingsprogramma's, beleid en onderzoek sprake is van beperkingen die te maken hebben met een veranderde visie op integratie, diversiteit en religie. Volgens Sunier viel in de verkiezingsprogramma's op dat integratie minder prominent aanwezig is, de programma's meer op elkaar lijken, en integratie in één paragraaf wordt gekoppeld aan veiligheid. Integratie wordt gezien als het zich aanpassen aan de dominante cultuur en is niet vrijblijvend. Geen van de partijen durft zich uit te spreken over de kracht van diversiteit, en niemand stelt zich de fundamentele vraag: waarom die eenvormigheid? Tenslotte wordt de islam gezien als een kracht die Europa laat afstevenen op islamisering van Europa. Suniers stelling - die hij ook verdedigde in zijn inaugurele rede aan de VU - is dat deze opvattingen gecombineerd tot een beleid zorgen voor de domestisering van de islam met de vraag: hoe is de islam in te passen in de heersende cultuur. Dezelfde vraag gold in eerdere decennia voor arbeidsmigranten en migrantenculturen. Wat niet in verkiezingsprogramma's is doorgedrongen, is dat het een gepassioneerd station is dat moslims toestemming zouden moeten vragen aan ‘ons', niet-moslims, of ze hier mogen blijven.

Sunier heeft gemerkt dat de veranderde beleidsprioriteiten een grote invloed hebben op wat er aan onderzoek gesubsidieerd en dus uitgevoerd wordt. Zo is er als het gaat om jongeren en islam vooral aandacht voor criminaliteit en radicalisering. Het onderzoek kenmerkt zich door een beperkte opvatting van religiositeit, waarbij voorbij gegaan wordt aan de bestaande grote diversiteit. Verder gaat het uit van religie als een persoonlijke, individuele zaak, en voorbij aan het feit dat religie een collectief aspect heeft en dat je je een religie eigenmaakt door middel van een proces van ‘embodiment'. Het idee dat moslimvrouwen gewoon maar hun hoofddoek af moeten doen, is een te simpele voorstelling van zaken. Wat Sunier ook is opgevallen is dat religiositeit in onderzoek gezien wordt als identiteitspolitiek, zoals blijkt uit de discussies over de niqaab, en de functie van religie gezien wordt als die van een laatste strohalm voor mensen in nood. Mensen die religieus zijn, aldus Sunier, zijn niet zielig, maar zelfbewust. Hij noemde de posteractie van Al Nisa dan ook iets nieuws dat alleen maar belangrijker gaat worden.

Diversiteit
Na de lezing volgde een debat met zowel het publiek als een panel. Het panel bestond uit: Drs. Hedy d'Ancona (oud minister VWS), Said Bensellam (auteur Kleine Jongen), Abdelhakim Chouaati (NPS programma Ab&Sal, schrijver) en Khadija van der Straaten (bestuurslid Al Nisa). De eerste vraag van Laïla Abid was hoe de panelleden zelf omgaan met diversiteit. Volgens  Hedy d'Ancona gaat dat steeds moeilijker. Toen ze minister was, begin jaren '90, zag ze tolerantie, nieuwsgierigheid en openheid bij alle partijen, en niet alleen bij de PvdA. Als het ging om asiel- of migratieproblematiek had men de stilzwijgende afspraak om deze thema's niet te misbruiken voor electorale/politieke doeleinden. Met Bolkestein is dat veranderd, aldus d'Ancona. Haar eigen opvatting over de bijdrage die diversiteit levert aan de samenleving, is niet veranderd, maar ze ziet dat dat buiten haar vriendenkring wel is veranderd. De maatschappij is wat dat betreft verhard. Abdelhakim Chouaati definieerde diversiteit  als dat verschillende groepen in de samenleving het met elkaar moeten zien te redden. Volgens hem gaat het in dit tijdperk, waarin "het vuurtje wordt opgestookt", niet om verschillen tussen culturen, maar om moslims versus niet-moslims. Dat verschil overstijgt alle andere verschillen, kijk maar naar Irak, aldus Chouaati. Volgens Said Bensellam proberen we elkaar wel steeds te vinden, maar lukt dat niet echt. En Khadija van der Straaten noemde het integratiedebat passé: "we moeten naar een acceptatiedebat, this is it, meer integratie komt er niet". Ze haalde vervolgens een discussie aan over de hoofddoek op haar werk en de volgende uitspraak van een projectleider: ‘we weten allemaal dat moslimvrouwen met een hoofddoek onderdrukt worden'.


Stemmen: ja of nee?
De stelling: "stemmen heeft voor moslims geen nut, omdat ze links om of rechtsom aan het kortste eind trekken" was een eerste stelling van vele geplande stellingen, maar de discussie over deze stelling ging zo lang door, dat er geen tijd meer overbleef voor andere stellingen. De stelling riep dus heftige reacties op. De discussie speelde zich op een aantal niveaus af, namelijk dat van de politiek, de moslimgemeenschap, en dat van de individuele burger.

Dat de politiek een voor moslims niet te nemen bolwerk zou zijn, werd door een aanwezige weersproken: in Engeland communiceren moslims op hoog niveau met de overheid. "Als Nederlandse moslims niet stemmen dan heeft de politiek dat aan zichzelf te wijten". Moslims kunnen hun wensen wel degelijk realiseren via bestaande partijen, werd gezegd. Iedere emancipatiebeweging heeft gebruik gemaakt van de politiek, aldus d'Ancona. Als we het hebben over de achterstelling van vrouwen, dan vergeten we dat Nederlandse vrouwen veertig jaar geleden achtergesteld waren op het gebied van onderwijs en arbeidsparticipatie. Zij zijn zich buiten de politiek om gaan organiseren en hebben via de media hun ideeën verspreid. Daarna zijn ze gaan infiltreren in de politiek om hun wensen en eisen te kunnen realiseren. Ook uit de zaal viel dit te beluisteren: door te participeren in bestaande partijen, en later eventueel zelf een partij op te richten, bereik je meer. Dan krijg je bijvoorbeeld ook Nederlanders (niet-moslims) mee, werd er aan toegevoegd.

Velen wezen op de verdeeldheid in de moslimgemeenschap als een obstakel voor moslims om een eensgezind sterk geluid te kunnen laten horen. Van der Straaten vroeg zich af of je wel kunt spreken van ‘wij moslims': "Het gaat er ook om om bínnen de moslimgemeenschap diversiteit te accepteren en samen te werken". Bensellam voegde daaraan toe: "Je ziet hier in dit debat al de verdeeldheid: dat geeft anderen de kans om op ons te schieten. We zijn niet gecommiteerd aan elkaar. We hadden al veel eerder samen de strijd kunnen aangaan".

Het maken van onderscheid tussen moslims en niet-moslims riep overigens ook de nodige reacties uit de zaal op en leidde tot een aantal opmerkingen over de rol van het individu. We moeten ons als moslims niet terug laten brengen tot één dimensie, die van het moslims zijn, aldus een reactie uit de zaal; zelf koos de spreekster een partij op basis van de thema's die voor haar belangrijk zijn. In strategisch stemmen geloofde ze niet zozeer: je kunt beter stemmen op wat het dichtst bij jou ligt, en uitgaan van eigen kracht en overtuigingen, dan blijf je het langst overeind. Hedy d'Ancona zei iets vergelijkbaars: ze was het niet eens met elke regel uit het PvdA-partijprogramma, maar voor haar gaat het om de vraag: in wat voor samenleving wil ik leven, en welke partij geeft een visie die tot zo'n samenleving kan leiden? D'Ancona gaf toe dat het prettig zou zijn om van tevoren te weten met wie een partij gaat reageren, maar "het allerstomste is om niet te stemmen". Iemand uit de zaal wees op de persoonlijke verantwoordelijkheid van elk mens: We hebben allemaal het gevoel dat het na de verkiezingen een andere kant uitgaat, maar accepteren we dat? Leunen we achterover? En iemand anders: als we een ‘wij' willen worden, moeten we bij onszelf beginnen. En moslims moeten zich vooral de frustratie (woede en onmacht) realiseren van veel moslimjongeren en er voor waken dat die frustratie zich naar binnen keert. En weer iemand anders - een vrouw die als enige in Nederland een proces tegen Wilders is begonnen vanwege zijn voorstel de hoofddoek te verbieden - wees er op dat je in Nederland rechten hebt én gereedschap hebt om ervoor te zorgen dat je die rechten ook krijgt. Gebruik dat gereedschap dan ook, was haar devies. D'Ancona wees erop dat we in Nederland een wet gelijke behandeling hebben, een groot goed, dat de politiek voor elkaar heeft gekregen. "Je moet je verzetten tegen een partij als die van Wilders, want die discrimineert".

Afsluiting
Het programma werd afgesloten met een sketch van Koffie Verkeerd over een interreligieuze en -culturele vriendschap, gevolgd door een informeel samenzijn met onder meer Turkse hapjes en Hollandse haring, én een kopje thee uiteraard.

Karen Ghonem 
Secretaris Al Nisa
Juni 2010